Over mijn ongeduld om er “al te zijn”

Iets waar ik de laatste tijd bewuster van ben geworden bij mezelf, is hoe ongeduldig ik kan zijn wanneer ik ergens naartoe werk.

Niet een beetje. Structureel.

Ik merk dat ik zelden echt in het midden van een proces zit. In mijn hoofd ben ik meestal al aan het einde. Ik wil niet bezig zijn met het doel. Ik wil dat het al bereikt is.

Dat speelt op veel vlakken.

Ik wil niet fitter worden. Ik wil al in vorm zijn om die 10K te lopen.
Ik wil geen taal leren. Ik wil ze al beheersen.
Ik wil mijn omgeving niet stap voor stap opruimen. Ik wil dat alles al op orde is.

Ik wil dat het doel gewoon… gedaan is.


Het patroon dat daaronder zit

Op zich lijkt daar niets mis mee. Het voelt zelfs logisch.

Maar wat ik begin te zien, is dat dat ongeduld mij vaak in een specifieke richting duwt.

Ik stel doelen die te ambitieus zijn. Niet omdat ze onmogelijk zijn, maar omdat ik ze sneller wil bereiken dan realistisch is. En wanneer de vooruitgang dan niet snel genoeg gaat, ontstaat er frustratie.

Niet omdat er geen vooruitgang is.
Maar omdat ze niet snel genoeg gaat voor wat ik in mijn hoofd al “af” had verklaard.

En in sommige gevallen leidt dat zelfs tot stoppen.

Niet omdat het doel niet belangrijk is.
Maar omdat het te lang duurt.


Wat er gebeurt wanneer je “er bent”

Wat het nog vreemder maakt, is wat er gebeurt wanneer je effectief een doel bereikt.

Dat moment waar je zo lang naartoe hebt gewerkt.

Eerlijk? Meestal gebeurt er weinig.

Er is zelden een echte viering. Geen duidelijke pauze. Geen moment waarop je zegt: dit was het.

Wat er meestal gebeurt, is dat mijn aandacht gewoon verschuift.

Naar het volgende doel.
Naar het volgende project.
Naar iets anders dat nog niet af is.

En zonder dat ik het doorheb, begint hetzelfde ongeduld opnieuw.


Er is niets “mis”, maar het heeft wel gevolgen

Ik geloof niet dat er iets fundamenteel fout is met dat soort ongeduld.

Het zit waarschijnlijk diep ingebakken in hoe we werken en vooruit willen.

Maar ik zie wel dat het een prijs heeft.

Het maakt mij:

  • te ambitieus in timing
  • sneller gefrustreerd
  • minder geneigd om iets vol te houden als het traag gaat

En vooral: het haalt mij weg uit wat er effectief aan het gebeuren is.


Wat ik probeer te doen

Ik heb hier geen snelle oplossing voor.

Maar wat wel helpt, is het simpelweg opmerken wanneer dat ongeduld opkomt.

Zien dat ik opnieuw bezig ben met “er al willen zijn”, in plaats van met wat ik aan het doen ben.

En op die momenten probeer ik iets kleins te verschuiven.

Niet door mezelf te dwingen om “geduldiger” te zijn.
Maar door mijn aandacht terug te brengen naar het proces zelf.


Het proces als oefening

Dat klinkt eenvoudig, maar het is eigenlijk een oefening op zich.

Niet gericht op resultaat, maar op hoe ik aanwezig ben in wat ik doe.

Meer concreet:

  • iets meer vertragen in plaats van vooruit te springen
  • nieuwsgierigheid toelaten in plaats van enkel resultaatgerichtheid
  • zien wat er is, in plaats van enkel wat er nog moet komen

Het gaat minder over discipline, en meer over hoe je kijkt.


Een andere manier van kijken

Wat daar voor mij in zit, is iets dat ik nog aan het leren ben:

Dat het misschien niet de bedoeling is om zo snel mogelijk ergens te geraken.

Maar om af en toe te kunnen blijven bij waar je bent, zonder dat het meteen ergens naartoe moet.

Dat er iets zit in:

  • het waarderen van wat er nu al is
  • het niet constant vergelijken met een eindbeeld
  • het niet altijd willen versnellen

Niet als einddoel. Maar als praktijk.


De vraag die overblijft

Misschien komt het uiteindelijk neer op één vraag.

Niet:
“Wanneer ben ik er?”

Maar:
“Hoe kan ik iets meer aanwezig zijn in wat ik nu aan het doen ben?”

Of nog scherper:

Hoe kan ik het proces waar ik in zit niet alleen doorlopen,
maar er op een of andere manier ook in thuiskomen?